Research

Research

De werking van Eugenol in Syzar

De werking van eugenol. Geurstoffen spelen een belangrijke rol in het leven van allerlei organismen. Planten zijn hierop geen uitzondering. Zij gebruiken hun geuren voor verschillende doeleinden. Het kan dan ook voorkomen dat een plant in verschillende situaties anders ruikt. Voor de mens is dat lang niet altijd waar te nemen, maar via verfijnde apparatuur kunnen we dat inmiddels wel vaststellen.

Verjagend of aantrekkend. De plant gebruikt de geurstoffen onder meer om insecten te lokken voor de bevruchting. En ook voor de verdediging worden geurstoffen aangewend. Een plant kan met geurstoffen aangeven dat hij wordt belaagd door een insect. De natuurlijke vijanden van dit insect worden vervolgens door de geurstoffen aangetrokken waardoor de plant een directe verdediging op gang kan brengen.

Naast een aantrekkende werking, kunnen geuren ook een verjagende werking hebben op insecten. Dezelfde geur kan zelfs voor het ene insect aantrekkelijk zijn en voor een ander insect juist helemaal niet.
Ons product Syzar is gebaseerd op de verjagende werking van de geurstof eugenol. Eugenol komt veel voor in planten, maar is vooral bekend uit kruidnagels. De verjagende werking geldt heel sterk voor de mineervlieg. De mineervlieg kan de eugenol echter pas ruiken op het moment dat deze vlak bij de behandelde bladeren aanwezig is. Is het vrouwtje van de mineervlieg op zoek naar voedsel of naar geschikte plaatsen om eieren te leggen, dan zal zij telkens vlak bij het blad de geur van eugenol ervaren en zich zeer onrustig gaan voortbewegen. Zij wordt immers steeds naar andere planten gedreven om toch een geschikte voedings- of eilegplaats te vinden. Bij een goede behandeling met Syzar zal zij deze geschikte plaats echter nauwelijks vinden en zich minder gaan voeden. Er ontstaan hierdoor minder stippen in het gewas.

Research

Onderzoek taxuskever

Aan het einde van de zomer ziet iedereen de taxuskever regelmatig rondlopen. Deze kever komt dan veelvuldig voor en is gemakkelijk te herkennen. Hij is zwart van kleur en heeft een duidelijke snuit. Hij behoort dan ook tot de snuitkevers. De kevers leven van half mei tot en met augustus. Ze veroorzaken in deze periode vooral schade aan de bladeren.

De kevers komen vooral in augustus ook veelvuldig voor in woningen, schuren en kassen. Ze zijn dan op zoek naar een geschikte plaats om eieren af te zetten. De vrouwtjes leggen namelijk vooral in deze periode hun eitjes. Deze komen al vrij snel uit en in de periode half juli tot en met half oktober kunnen de larven dan ook in de grond gevonden worden. Tijdens deze periode kunnen ze veel schade geven aan de wortels.

Vanaf oktober gaan de larven in winterrust. Ze worden in het voorjaar (rond eind maart) weer actief. Al snel na het ontwaken gaan ze zich verpoppen en kruipen in mei de kevers weer uit de pop.

In het afgelopen jaar heeft DeruNed de ontwikkeling van deze kever willen beïnvloeden met Alsa. Er zijn hiertoe proeven uitgezet bij onder andere een hosta teler. Er zijn proeven gedaan met een dosering van 1 liter Alsa per ha en een wekelijkse herhaling. De Alsa werd plantsystemisch toegediend, dus een toediening via het voedingswater, zodat de Alsa opgenomen kon worden.

Na 4 weken toediening is uitgebreid gezocht naar schade, kevers en eventuele larven. Deze waren niet meer te vinden. Later in de zomer waren er nog steeds geen kevers te vinden in het gewas. Ook in de grond waren we toen niet in staat enige larve te vinden. Naar aanleiding van deze proeven willen we het komende jaar veel meer proeven gaan doen, zodat we tot een goed toepassingsadvies kunnen komen.

Research

Interacties tussen insecten en planten

Interacties tussen organismen worden meestal op gang gebracht door geurstoffen. Zeer bekend zijn natuurlijk de feromonen bij insecten. Deze geurstoffen spelen een belangrijke rol bij het vinden van een partner voor de voortplanting. Maar insecten kunnen met geurstoffen ook op grote afstand voeding vinden. Insecten worden aangetrokken door specifieke geurstoffen van bepaalde planten. Andere geurstoffen hebben juist een afstotende werking op deze insecten. Het is vaak een combinatie van verschillende geuren die een insect doet besluiten wel of niet naar een bepaald gewas toe te gaan.

Alle insecten zijn op zoek naar vitamine B, aminozuren en mineralen. Deze stoffen komen in alle planten voor. Vooral de bereikbaarheid van deze stoffen speelt een grote rol. Het oppervlak met eventuele beharing en waslagen vormen een barrière voor de bereikbaarheid. Natuurlijk is het ook van belang welke aanpassingen het insect zelf heeft om deze barrières te overbruggen.

Voor de plant zijn de geurstoffen ook van vitaal belang. Ten eerste lokken de geurstoffen (en kleuren) insecten naar de bloemen voor de bestuiving. Daarnaast scheiden planten geurstoffen uit indien ze aangetast worden door insecten of andere pathogenen. Deze geurstoffen hebben een aantrekkingskracht op natuurlijke vijanden van de belagers van deze planten. Hierdoor heeft de plant een extra bescherming tegen pathogenen. Mogelijk spelen deze geurstoffen ook nog een rol tussen planten onderling. Zij kunnen elkaar op deze manier waarschuwen dat er belagers zijn. Dit is echter nog nooit bewezen, maar de wetenschap houdt er rekening mee dat deze mogelijkheid bestaat. Vele onderzoeken zijn hiervoor nodig en worden momenteel uitgevoerd.

Geurstoffen zijn stoffen die slechts in zeer geringe hoeveelheden nodig zijn om al opgemerkt te worden door de organismen die daar gevoelig voor zijn. Wij mensen kunnen bepaalde stoffen ruiken terwijl de concentratie in de lucht maar 0,001 ppm bedraagt. Andere stoffen ruiken wij in het geheel niet. Zo is dat met insecten ook. De gevoeligheid voor geurstoffen is sterk afhankelijk van het organisme. In de evolutie hebben plant en dier daar ook op ingespeeld. Zo hebben planten afwerende geurstoffen ontwikkeld tegen de insecten die in hun normale ecosystemen voorkomen. Worden deze planten dan verplaatst naar andere delen van de wereld dan zijn deze planten ineens vatbaar voor dezelfde insecten. Een goed voorbeeld hiervan is de Neem boom. Deze boom komt van oorsprong alleen voor in Birma. Hier is de boom goed aangepast aan zijn belagers. De boom heeft afweerstoffen en zelfs insecticiden aangemaakt tegen alle insecten die hem daar belagen. De boom heeft in Birma geen last meer van deze insecten. Nu deze boom is geïmporteerd naar andere delen van de wereld, blijkt dat deze boom gevoelig is geworden voor allerlei ziektes, waaronder veel insecten. Er zijn zelfs insecten bij die ook op Birma voorkomen. Deze insecten hebben zich echter iets anders geëvolueerd en zijn niet gevoelig voor de geurstoffen die de neemboom uitscheidt. Zo zijn er vele voorbeelden waarbij verandering van ecosysteem grote gevolgen kan hebben voor zowel de interacties tussen planten en insecten als op de natuurlijke regulering.

Secundaire afweer van de plant

De plant heeft een aantal systemen om te zorgen dat hij niet wordt aangetast. Hiervan is de fysische barrière, zoals de waslaag en de schors, natuurlijk de belangrijkste. Daarnaast hebben we gezien dat geurstoffen een belangrijke rol spelen in de keuze van insecten om naar een plant toe te gaan. Dit zijn de primaire afweersystemen van een plant. Als een plant wordt aangetast worden weer andere stoffen geproduceerd door de plant om de belagers af te schudden. Hieronder zitten niet alleen insecticide-achtige stoffen en groeiremmende stoffen, maar ook geurstoffen. Dit zijn de secundaire afweersystemen. Deze systemen zijn locaal. Dat wil zeggen dat de wortel een ander secundair systeem kan hebben dan de stengel of het blad. Dit kan vreemde gevolgen hebben.

Zo is een knoflookbol in staat stoffen te maken die schimmeldodend zijn. Deze stoffen zitten opgeslagen in de bol en komen pas vrij op het moment dat de bol wordt aangetast. Het blijkt dat veel zuigende insecten ook een hekel te hebben aan deze geur. In de natuur komen zij echter niet met deze geur in aanraking: hij zit immers opgesloten in de bol van de knoflook. Indien wij nu deze geurstof uit de bol toedienen aan de voeding van de knoflookplant, kan deze geurstof zich wel verspreiden door de gehele plant en insecten zoals trips en witte vlieg worden verjaagd. Zij proberen te vluchten voor deze geurstof. En dat terwijl trips normaal veel voorkomt bij knoflook!!!!

Kijk ook bij: ALSA

Research

Vertering van organisch materiaal

Organisch materiaal zal in de natuur weer omgezet worden in bruikbare producten voor andere levende organismen. Veel van deze producten zullen als voeding dienen voor planten, maar ook dieren (en mensen), bacteriën, schimmels en virussen kunnen hiervan bestaan.
Om het (meestal afgestorven) organische materiaal weer om te zetten zijn meerdere processen mogelijk.

Microbiële omzetting
Deze omzetting komt zeer vaak voor. Voor deze omzetting wordt zuurstof gebruikt. De bacteriën (en soms schimmels) die zuurstof gebruiken kunnen optimaal gebruik maken van de aanwezige voedings-stoffen. Deze micro-organismen gebruiken de voedingsstoffen voor aanmaak van eigen bouwstoffen en voor het produceren van energie. Een deel van de voedingsstoffen gaat dus verloren.

Indien geen zuurstof aanwezig is treedt er verrotting op. Dit is een niet volledige afbraak van het organisch materiaal. Bij deze omzettingen kunnen allerlei bijproducten ontstaan die schadelijk kunnen zijn voor andere organismen (bijv planten). De micro-organismen kunnen uit dezelfde hoeveelheid organisch materiaal veel minder energie halen en zullen dus meer organisch materiaal om moeten zetten voor hun energiehuishouding. Ook voor opbouw hebben ze meer organisch materiaal nodig. De groei van deze micro-organismen is vaak gebonden aan de omzettingssnelheid van het organisch materiaal. Ze groeien dan ook veel minder snel dan micro-organismen die groeien in aanwezigheid van zuurstof.

Enzymatische omzetting
Indien de enzymen die de micro-organismen gebruiken voor de omzetting van organisch materiaal geïsoleerd worden en vervolgens apart worden ingezet, kan dezelfde volledige afbraak plaatsvinden zonder dat zuurstof wordt onttrokken aan de omgeving. In veel gevallen is zuurstof niet noodzakelijk voor de directe omzetting.
De enzymen werken op den duur niet meer doordat de afbraakproducten een remmend effect op de enzymen hebben. De reactie zal na enige tijd niet meer verlopen.

Omzetting door micro-organismen en enzymen.
Indien zowel enzymen als micro-organismen worden ingezet om organisch materiaal af te breken zullen de toegevoegde enzymen het meeste werk doen. Zij worden echter op den duur minder goed door het remmende effect van de afbraakproducten. De micro-organismen kunnen deze afbraakproducten meteen opnemen en zorgen ervoor dat de remming wordt opgeheven. Doordat beide aanwezig zijn, zal de afbraak versneld worden, terwijl de zuurstofvoorziening in dit gebied alleen afhankelijk is van de groei van de micro-organismen. Bij zeer explosieve groei zal de zuurstof opraken; in alle andere gevallen zal er voldoende zuurstof naar dit gebied toe kunnen diffunderen.

Kijk voor meer informatie bij Modicell